Thesisvoorstel

Seppe Van Pottelbergh

Manama Conflict and Development

 

CONFLICT EN HANDICAP IN NOORD-OEGANDA

 

Een antropologische kijk op identiteit, sociale status en denken van veteranen met een handicap in een Afrikaans conflictgebied.


 

Inleiding 

Vandaag, na twintig jaar brutaal conflict tussen rebellenleider Kony en zijn Lord’s Resistance Army en president Museveni’s regering, stellen velen zich de vraag of er in Noord-Oeganda ooit vrede zal zijn. Tijdens de Britse koloniale periode was er een socio-economische marginalisatie van Noord-Oeganda: het noorden werd een arbeidersreservoir voor het zuiden, waar de investeringen plaatsvonden. Ambtenaren werden hoofdzakelijk gerekruteerd uit de zuidelijke bevolking en het militaire apparaat haalde zijn mankracht vooral in het noorden, meer bepaald bij de dominante etnische groep, de Acholi. Na de onafhankelijkheid in 1962 ontstond er een verscheurende machtstrijd tussen het noorden en zuiden. Na de machtsovername van Museveni in 1986, ten nadele van de Acholi, vreesden deze laatsten represailles voor daden uit de tijd waarin ze nog de ruggengraat van het leger uitmaakten. Toen Museveni’s leger zich inderdaad schuldig begon te maken aan folteringen en allerhande ‘verdwijningen’ van Acholi’s begonnen deze zich steeds meer te organiseren.  Hieruit ontstonden de rebellenbewegingen van Noord-Oeganda, waar het LRA uit gegroeid is. Doormiddel van terreur, verminkingen en ontvoeringen beheerste het LRA met geweld de regio van Noord-Oeganda. Als antwoord hierop opteerde Museveni jarenlang voor een militaire repressieve strategie. Hiermee kon de regering echter geen einde maken aan het conflict. Meer nog, ze faalde tegenover burgers in haar ‘Responsibility to Protect’, zodat het conflict in Noord-Oeganda één van de langste, gruwelijkste en meest genegeerde conflicten in Afrika werd, het kreeg ook meer en meer een regionale dimensie. Verschillende diplomatieke pogingen waren gedoemd tot falen zonder internationale steun en zonder overtuigd engagement van Museveni’s regering aan de ene kant en de LRA aan de andere kant. Een duurzame dialoog kon niet starten. In juli 2006, leek dat wel te gebeuren en de eerste rondetafelgesprekken met de regering van Zuid-Soedan als bemiddelaar gingen in Juba van start. Hoewel het tot hier toe de meest hoopvolle strategie is, moeten er nog veel obstakels overwonnen worden vooraleer een duurzame oplossing bereikt zal worden.  Bijna de gehele Noord-Oegandese bevolking werd op 2 oktober 2002 gedwongen om land en eigendom achter te laten en in Internally Displaced People(IDP)-kampen te gaan leven. Volgens UNICEF leven er, anno 2007, minstens 1,5 miljoen mensen in het geweld en de armoede van deze IDP-kampen. Deze kampen werden eerst omschreven als beschermde dorpen, maar vervielen al snel tot onleefbare nederzettingen door aanhoudende honger en vele ziekten. De meeste vluchtelingen waren landbouwers en veehoeders en kregen geen mogelijkheden om een ‘livelihood’ uit te bouwen in de kampen en worden ze nu gedwongen afhankelijk te zijn van voedselhulp en andere humanitaire hulp. En in plaats van beschermd te worden tegen de rebellen, werden de kampen juist het nieuwe doelwit van de gewelddadige aanvallen.  Kortom, Oeganda heeft gedurende vele jaren een bloederig en verminkend conflict gekend. Dit heeft enerzijds zeer veel Oegandezen militair in een gruwelijke burgeroorlog doen participeren en anderzijds heeft het conflict zeer veel personen verminkt achtergelaten. De vele Oegandese burgers die gedwongen werden of zelf besloten militair deel te nemen, werden gedeeltelijk ontwapend. Oeganda maakt deel uit van het ‘Multi-Country Demobilization and Reintegration Program’ (MDRP). Dit programma tracht bij te dragen tot de algemene veiligheidstoestand, vredesonderhandelingen en stabiliteit in Centraal-Afrika. De Oegandese Amnestie Commissie zorgt voor de uitvoering van het specifieke Demobilisation , Disarmement en Reintegration(DDR)-programma en dit op basis van vijf componenten, namelijk sensibiliseren, demobilisatie en ontwapening, resettlement, sociale en economische reïntegratie en het institutioneel versterken van de Amnestie. De psychologische en sociale bijstandsverlening bij de reïntegratie kunnen echter niet steunen op veel fondsen. Deze bijstand is nochtans van cruciaal belang om mensen opnieuw hun leven te laten opnemen en te leren om te gaan met de opgelopen trauma's. Volgens een recent artikel van ENOUGH moet er grondiger werk gemaakt worden van de reïntegratie van veteranen (in dit geval gaat het zeer vaak om kinderen) in hun familie en samenleving. Er moet de nieuwe situatie stabiliseren waardoor iedereen opnieuw zijn plaats kent en een identiteit kan opbouwen.  Verminking werd regelmatig toegepast als terreurmethode en controlemechanisme en veel Oegandezen zijn door het conflict een personen met een handicap geworden. Om op te komen voor de rechten en kansen van deze personen ontstonden er zeer sterke handicapbewegingen. Op wettelijk niveau is er reeds zeer veel bereikt voor de Oegandese personen met een handicap. Reeds in 2000 werd er een speciaal beleid opgesteld voor personen met een handicap. De rechten van personen met een handicap worden gevrijwaard door de Oegandese grondwet en speciale wetten omtrent handicap. Er werd een nationale raad ingesteld die moest instaan voor alle handicapgerelateerde problemen. Er is zelfs een interministeriële raad voor handicap met drie ministers: een minister van gezondheid, een minister van gender, arbeid en sociale ontwikkeling en een minister van onderwijs en sport.  In december 2005 werd de ‘Uganda Person’s with Disabiliy Bill’’ goedgekeurd, wat een volledige en evenwaardige participatie van personen met een handicap in de samenleving moet bewerkstelligen. En in mei 2006 werd de ‘Disability Act ‘ aangenomen die aanhoudende discriminatie van personen met een handicap moest bestrijden. Vijf zetels van het parlement zijn voorbehouden voor vertegenwoordigers van personen met een handicap en deze streven naar de uitvoering van de zeer inclusieve wetgeving. De wetgeving is er, de fondsen echter niet en daarom laat de praktijk nog te wensen over.     

 

Onderzoeksvragen  We willen een antropologische analyse maken van de samenhang tussen conflict en handicap in Noord-Oeganda. Vele Oegandese burgers hebben door het conflict een verandering doorgemaakt en zijn getransformeerd naar een persoon met een handicap. We willen ter plaatse onderzoeken welke invloed dit heeft gehad op hun identiteit, sociale status en denken. Het onderzoek zal dus op drie niveaus gevoerd worden: het persoonlijke, maatschappelijke en cognitieve niveau. We schetsen de metamorfose die deze personen doormaken omdat ze deelnamen aan het conflict. Maar niet alleen hoe ze het zelf zien, wat hun identiteit is geworden, maar ook hoe de anderen hen zien, ervaren en aanvaarden. De personen hebben niet enkel gevochten en gruwelijkheden meegemaakt, ze zijn daarenboven gehandicapt geworden. Dit zorgt bij thuiskomst voor een dubbel trauma en zal voor een moeilijkere aanpassing en reïntegratie zorgen. We onderzoeken hoe deze reïntegratie en aanpassingsperiode verloopt. Belangrijk zal het ook zijn om te kijken naar de nationale situatie. Welke wetten, hulp en voorzieningen zijn er vastgelegd voor deze personen? En indien er zulke wetten en bewegingen zijn, wat gebeurt er in de praktijk?Het is dus ook een soort van evaluatie: wat is er al terechtgekomen van rehabilitatie en reïntegratie van deze veteranen met een handicap. Op maatschappelijk vlak bemerken we de oprichting van organisaties die zich inzetten voor de rechten van personen met een handicap. Dit is een belangrijke maatschappelijke evolutie die meebouwt aan de sociale status van de Oegandese burgers met een handicap en de gehandicapte veteraan in het bijzonder. Verder schetsen we het denken dat deze persoon en de samenleving hebben geconstrueerd. Veranderde identiteit en samenleving hebben hun invloed gehad op het denken. Aan de hand van levensverhalen gaan we trachten dieper door te dringen en met respect hun ervaringen op te tekenen, de diepere impact te doorgronden die deze conflicten, verminkingen en veranderingen hebben teweeggebracht op de identiteit, sociaal functioneren en denken van deze personen.  

 

Relevante literatuur Er bestaat zeker algemene literatuur over dit onderwerp die zeer bruikbaar zal zijn. Voor specifieke werken over Noord-Oeganda en reïntegratie van ex-rebellen hebben we het werk van Ben Mergelsberg (2005), ‘Crossing boundaries’, hij spitste zich toe op de ervaringen van terugkerende kindsoldaten in Noord-Oeganda . Een andere studie is ‘A hard homecoming, lessons learned from the reception centre process in Northern Uganda’ uitgaande van USAID en Unicef (2006). Dit beschrijft het reïntegratieproces en de uitdagingen van voormalig ontvoerde personen doormiddel van de opvangcentra en zal zeer interessant zijn als voorbeeld van een gelijkaardig onderzoek. Vooraleer we het begrip handicap in de mond nemen, onderzoeken en toepassen hebben we nood aan enkele werken die de theorieën, modellen, classificatieschema’s en toepassingen van handicap  uiteenzetten. Hierbij kunnen we alvast de auteurs Gary L. Albrecht, Barbara M Altman, Patrick Devlieger, Simi Linton en Jessica Scheer vermelden. Werken en theorieën over identiteit en sociale status van personen met een handicap vinden we bij Herbert Blumer, Atze Dijkstra, Erving Goffman, John C. Turner.  Specifiek rond het onderwerp veteranen is er zeer veel geschreven over veteranen na de Tweede Wereldoorlog en over Amerikaanse veteranen na Vietnam. Uit deze werken blijkt dat de demobilisatie en reïntegratie van veteranen aanzien werd als een groot probleem en er werd dan ook veel aandacht aan besteed. Sociale werkers, psychologen, psychiaters, sociologen en militaire instanties vreesden een grote demobilisatiecrisis. De veteranen met een handicap zorgden voor een extra moeilijkheid binnen een reeds moeilijk probleem en kregen na deze oorlogen zeer veel privileges, geldelijke steun en een soort heldenstatus. Deze werken kunnen voor bepaalde facetten interessant zijn als achtergrondliteratuur, maar we beseffen dat al snel zal blijken, uit de levensverhalen van de Oegandese veteranen, dat er in Noord-Oeganda een heel andere oorlog is gestreden. Dus is er minder sprake van privileges, geldelijke steun en ook een heldenstatus zal minder voor hen weggelegd zijn. Verder is er nog het boek van David A. Gerber met het boek ‘Disabled veterans in history’, waarin hij, samen met verscheidene andere auteurs, op zoek gaat naar verhalen, theorieën en evoluties over veteranen met een handicap in de geschiedenis.    

 

Resultaten en relevantie Er zijn resultaten omtrent facetten van de reïntegratie van veteranen in Noord-Oeganda. Wat we willen doen is enerzijds via levensverhalen de persoonlijke leefwereld en identiteit van deze veteranen illustreren, maar in tegenstelling tot Mergelsberg zijn de onderzoekssubjecten niet enkel kindsoldaten, maar veteranen met een handicap. Aangezien er een grote hoeveelheid kinderen heeft meegevochten behoren tot deze grote groep veteranen met een handicap ook kindsoldaten. Anderzijds willen we meer onderzoek doen naar bepaalde facetten die minder gedocumenteerd zijn: zoals de sociale status van veteranen met een handicap, wat er in praktijk gebeurt met de wetgeving rond handicap en hoe deze personen met een handicap en hun omgeving ondanks het conflict en de verminkingen aankijken tegen het leven. Het conflict heeft een verminkende terreur gezaaid over heel Noord-Oeganda en nu blijven zeer veel burgers achter met een handicap. Het is noodzakelijk op te tekenen wat deze mensen ervaren hebben en te onderzoeken wat de noden en mogelijkheden zijn voor hen in de Oegandese samenleving. Oeganda heeft een zeer positieve en inclusieve wetgeving voor  personen met een handicap, het is even belangrijk de praktijk van deze wetten onder de loep te nemen. Het DDR-programma is een essentieel deel van de post-conflictstrategieën, de reïntegratie van deze grote groep veteranen moet opgevolgd worden en bijgestuurd waar nodig. Dit onderzoek is nodig om de ervaringen, positie en denkwijze van deze personen op te tekenen, hun noden aan te kaarten en te evalueren van wat reeds verwezenlijkt is.   

 

Methodologisch kader Het onderzoek is een combinatie van inleidende literatuurstudie en veldwerk. Een kritische literatuurstudie is nodig om de concepten, theorieën en culturele context eigen te maken en te anticiperen op reeds gedaan onderzoek in het verleden. Relevante literatuur en theorieën over Noord-Oeganda, handicap, veteranen, identiteit, sociale status en cultureel denken zullen doorgenomen worden en zorgen voor een onderbouwde scriptie. Daarom kunnen alvast enkel theorieën rond identiteit, sociale status en denkpatronen verduidelijken waarop het onderzoek gebaseerd is: Erving Goffman (1963) schreef het belangrijke werk ‘Stigma: notes on the management of spoiled identity’. Een stigma is een ongewenst persoonlijk kenmerk dat volledige sociale aanvaarding bemoeilijkt. Het begrip stigma is een persoonskenmerk dat iemand in diskrediet brengt en is onlosmakelijk verbonden met hoe de omgeving reageert op het gestigmatiseerde individu. Een samenleving structureert zijn eigen noties van categorisatie en beslist welke personen en gedragingen als natuurlijk en normaal worden gezien voor leden van een bepaalde categorie. De eerste personen die sympathie zullen opbrengen voor deze persoon met handicapstigma zijn mensen die hetzelfde stigma delen. De persoon met een stigma bevindt zich in een zeer hachelijke positie van een zelfconcept tegenover verwachtingen, beeldvorming en stereotypen die in de samenleving heersen. Herbert Blumer (1969) schreef in zijn werk ‘Symbolic interactionalism’ over hoe mensen zichzelf en de anderen interpreteren en definiëren door interactie met anderen, in plaats van direct te reageren op alles. De interactie zorgt voor allerlei signalen en deze worden door de personen geïnterpreteerd. Er wordt zo ook een bepaalde betekenis aan toegewezen. Het gedrag, signaal of gebaar krijgt daardoor een symbolische betekenis, aangezien de interactie tussen mensen gebeurt door middel van symbolen. Men probeert zichzelf te identificeren en te onderscheiden van anderen door het eigen maken van specifieke symbolen die enkel voor zijn eigen groep gelden. Mensen zijn beïnvloedbaar in hun denken en dat binnen het kader van de sociale organisatie. De ideologie en beeldvorming kan aangepast worden door nieuwe en juiste informatie die voortkomt uit het contact met personen met een handicap, de communicatie en de daaropvolgende interpretatie. Dijkstra (1979) zegt dat in de klassieke sociologische benadering afwijkend gedrag van individuen gezien wordt als sociale pathologie. Dit is een functionalistische benadering: afwijkend gedrag wordt opgevat als niet-functioneel voor het sociale systeem. Deviatie, of het schenden van de heersende maatschappelijke normen en waarden, wordt als schadelijk ervaren voor het goed functioneren van het sociale systeem. Binnen het symbolisch interactionisme wordt deviatie gezien als een gevolg van etikettering. Afwijkend gedrag wordt in een bepaalde situatie als afwijkend ervaren en zodanig geïnterpreteerd door anderen. Het is duidelijk dat niet enkel het gedrag van de deviant bepalend is, maar evenzeer de reacties van de anderen van invloed zijn voor het leven van iemand met een afwijkend gedrag of uiterlijk. De ernst van normoverschrijdingen worden veelal cultureel bepaald. In het proces van normoverschrijding ervaart de deviant de volgende fasen: eerst is er de etikettering, de personen krijgen een nieuwe en ongunstige identiteit opgespeld. Daarna volgt de stigmatisering, de individuen worden behandeld op grond van de toegewezen identiteit. En ten derde is er de aanvaarding van hun identiteit: ze spelen de rol passend bij hun identiteit en vereenzelvigen zich met de toegeschreven identiteit. John C. Turner (1987) focust zich met zijn ‘self-categorization theory’ op hoe individuen zich als een groep kunnen gedragen. Door middel van interactie met anderen voegt men zichzelf bij een bepaalde groep. Groepsvorming komt tot stand door een behoefte aan zelfevaluerende omstandigheden. Wat daarop volgt is zelfidentificatie: de persoon wil zich helemaal identificeren met de groep die hij/zij koos en zal zich naar de normen van die groep gedragen. Al de leden weten na een tijdje dat ze dezelfde identiteit delen en worden zich ervan bewust dat ze een sociale eenheid vormen. Volgens filosoof Gilles Deleuze (1981) bouwt iemand zijn/haar identiteit veel minder rechtlijnig op dan sommige psychologen met rationele modelletjes vastleggen: men is 'aan het worden' (‘becoming’ zegt de engelse vertaling van Deleuze) en men bouwt/leeft aan/met een nomadische persoonlijkheid.  Ook Rosi Braidotti (2004) uit Utrecht schrijft daar boeiende zaken over. Mannen trekken zeer heldhaftig ten oorlog en komen ze terug met 'een ander lichaam', ervaringen die ze niet sterk met het thuisfront kunnen delen, verliezen ze hun oude rol thuis, moeten ze op zoek naar een nieuwe positie,...   Na deze grondige literatuurstudie is er een veldonderzoek nodig, omdat het juist gaat om de persoonlijke levensverhalen achter al deze theorieën en geleverd onderzoek. In een periode van twee maanden zal er aan de hand van semi-gestructureerde interviews de levenservaringen en veranderingen opgetekend worden van de veteranen met een handicap in Noord-Oeganda.  In deze twee maanden zullen we praten, leren en uiteindelijk trachten de situatie en specifieke context te beschrijven waarin deze veteranen met een handicap leven. De eerste weken zullen besteed worden aan het kennis maken met de culturele context en het bezoeken van enkele organisaties die zich inzetten voor handicap of de reïntegratie van veteranen. Zo is er een bezoek gepland aan UNAPD in Kampala, waarbij de organisatie zijn denkbeelden en positie zal illustreren aan de hand van lopende projecten en interactie met medewerkers. Deze organisatie zorgt voor veel voorzieningen en mogelijkheden voor personen met een handicap, maar het is ook nodig deze sociale verworvenheden aan de realiteit te toetsen en daarom gaat het onderzoek verder in Gulu, Noord-Oeganda. Daar zullen we aan de hand van de contactpersonen kennis maken met willekeurige veteranen met een handicap. De methode die zal worden toegepast is een antropologische vorm van onderzoek die in de etnografie toegepast wordt: ‘Thick description’. Clifford Geertz (1973) introduceerde deze term succesvol in de antropologie. Menselijk gedrag is op te vatten als een complexe hiërarchie van betekenisvolle structuren die geproduceerd, ontvangen en geïnterpreteerd worden. Menselijk gedrag is dus niet enkel een handeling, maar bevat ook de context van de handeling en zijn uitvoerder. De antropoloog wordt dan veeleer een observator die de complexe structuur van betekenis in zich opneemt en uitvoerig neerschrijft. Deze antropologische beschrijving heeft vier karakteristieken. Ten eerste is elke beschrijving een interpretatie van de observeerder. Ten tweede is het beschrevene ingebed in een sociale context en ten derde is elke interpretatie een poging om de inhoud samen met de context verstaanbaar samen te brengen. De vierde karakteristiek is dat een dergelijke beschrijving steeds microscopisch is. Er kan dan twee richtingen opgegaan worden met het microscopisch onderzoek, ofwel is het beschrevene te zien als een microkosmos van de werkelijkheid ofwel is het een testcase om grotere modellen te bewijzen of te verwerpen. Wij willen in dit onderzoek het verhaal beschrijven achter de verschillende modellen en theorieën omtrent handicap, veteranen, identiteit, sociale status en cultureel denken. Aan de hand van semi-gestructureerde interviews zullen we de veteranen met een handicap hun verhalen en ervaringen optekenen. We peilen naar de verandering in identiteit en sociale status die ze doormaakten door het conflict en verkrijgen van een handicap. Welke invloed hebben de gebeurtenissen en de reacties van de omgeving gehad op de identiteit en de denkbeelden van deze personen. Voornamelijk trachten we uit de interviews de levensverhalen uitgebreid op te tekenen, we laten hen zelf vertellen wat ze hebben meegemaakt, welke nieuwe positie ze hebben aangenomen, bij welke organisaties ze steun vinden en hoe hun omgeving en instituties hen behandelen.  Na theorie van twee jaar Sociale en Culturele Antropologie en één jaar ‘Conflict and Development’ te hebben gestudeerd, is het logisch dat de praktijk en het veldonderzoek lonkt. We kijken dan ook uit om al deze verworven kennis eens getoetst te zien aan de werkelijkheid, eens in een andere culturele context te stappen en voor twee maanden een eigen onderzoek uit te voeren.


Bibliografie 

ALLEN T. EN SCHOMERUS M., A hard homecoming, lessons learned from the reception centre process in Northern Uganda, Unpublished manuscript of study commissioned by UNICEF and USAID Uganda, juli 2006.  ALTMAN B.M., Disability definitions, models, classification scheme, and applications. In Albrecht G. L., Seelman K. D., en Bury M. (Eds.), handbook of disability studies, Thousand oaks CA, Sage. 2001, pp. 97-122.  BLUMER H., Society as symbolic interaction. In Symbolic Interactionalism, Berkeley, University of California Press, 1969, pp. 78-89.   BRAIDOTTI R., Op doorreis, nomadische denken in de 21e eeuw , Amsterdan, Boom, 2004, 300 p.   DELEUZE G., “Nomaden-denken” In Foucault M. en Deleuze G, Nietzsche als genealoog en als nomade , Nijmegen, Sun,1981, pp. 45-63.  DEVLIEGER P. EN HERTZ M., The disabling bullet. Chicago: department of disability and human development (video), 2001.  DEVLIEGER P., RUSCH F. EN PFEIFFER D. (Eds.), Rethinking disability: The emergence of new definitions, concepts and communities, Antwerpen, Garant, 2003, 210 p. DIJKSTRA A., Stigmatisering maatschappelijke gevolgen van een afwijkend uiterlijk, Rotterdam, Lemniscaat, 1979, 119 p.  

R. Doom, en K. Vlassenroot, Kony’s message: a new koine? The

‘Lord’s Resistance Army’   in Northern-Uganda? In African Affaires , 98, 1999,

pp. 5-36.   ENOUGH PROJECT, Northern Uganda update , juli/augustus 2007 (27.08.2007, The ENOUGH  Project, http://www.enoughproject.org).  GEERTZ C., Thick Description: Toward an Interpretive Theory of Culture. In The Interpretation of Cultures: Selected Essays, New York, Basic Books, 1973, pp. 3-30.  GERBER D. A. (Ed.), Disabled Veterans in History , Ann Arbor, University of Michigan Press, 2000, 348 p. GOFFMAN E., Stigma: notes on the management of spoiled identity. New York: Prentice-Hall, Englewood Cliffs,1963, 147 p. KOSTNER M. EN BOWLES E.H. Veterans: Pensions and other compensation in post-conflict countries , November 2004 (25.08.2007, World Bank, http://www.worldbank.org/).  

INTERNATIONAL CRISIS GROUP (ICG),

Northern Uganda: understanding and solving the conflict , april 2004 (28.03.2007, ICG,  http://www.crisisgroup.org).     Building a comprehensive peace strategy for Northern Uganda , juni 2005. (18.05.2007, ICG, http://www.crisisgroup.org).   Northern Uganda: seizing the opportunity for peace , april 2007 (16.05.2007, ICG, http://www.crisisgroup.org).  LANDMINE MONITOR, Uganda, 2004 (20.08.2007, Landmine Monitor, http://www.icbl.org/lm/2004/uganda#Heading17423 ). Uganda, 2006 (20.08.2007, Landmine Monitor,   http://www.icbl.org/lm/2006/uganda.html#Heading317).  LINTON S., Claiming disability: knowledge and identity, New York, New York University Press, 1998, 228 p.  MERGELSBERG B., Crossing Boundaries , december 2005, (16.04.2007, website Ben Mergelsberg, http://www.mergelsberg.de ).   Multi-Country Demobilization and Reintegration Program (MDRP), Supporting demobilisation and reintegration through information and sensitization activities , maart 2007 (19.05.2007, MDRP, http://www.mdrp.org/PDFs/In_Focus_4.pdf). SCHEER J., Culture and disability: an anthropological point of view. In Trickett E. J.,. Watts R. J en Birman D. (Eds.), Human diversity: perspectives on peoples in context. San fransisco, Jossey-Bass, 1994, 119 p. SJÖBERG M., Handling: Culture and identity, 2005 (21.08.2007, SHIA, http://www.shia.se/). THOMAS P. Disability, poverty and the millennium development goals: relevance, challenges and opportunities for DFID, juni 2005 (21.08.2007, DigitalCommons@ILR, http://digitalcommons.ilr.cornell.edu ).  TURNER J., A self-categorization theory. In Turner J.C., Hogg M.A., Oakes P.J., Reicher S.D. en Wetherell, M.S. (Eds.), Rediscovering the social group: A self-categorisation theory, Basil Blackwell, Oxford, pp. 42-67.   UGANDA NATIONAL ACTION ON PHYSICAL DISABILITY ( UNAPD), What is UNAPD? , 2007 (12.02.2007, UNAPD, http://www.unapd.ug/ ). UNICEF, Uganda: UNICEF humanitarian situation report , april 2007 (21/05/07, UNICEF,   http://www.unicef.org).                        Blackwell. 

maandag 03 september 2007 19:23 , in Voorbereiding


Kampala 1

Blog van sepper :Oekanda: Seppe in Oeganda, Kampala 1

vrijdag 21 september 2007 09:12 , in Kampala


Kampala 2

Blog van sepper :Oekanda: Seppe in Oeganda, Kampala 2

vrijdag 21 september 2007 09:24 , in Kampala


Kampala 3

Blog van sepper :Oekanda: Seppe in Oeganda, Kampala 3

vrijdag 21 september 2007 09:28 , in Kampala


Kampala 4

Blog van sepper :Oekanda: Seppe in Oeganda, Kampala 4

zaterdag 22 september 2007 18:04 , in Kampala


|

de balk openen
de balk sluiten

Je moet aangemeld zijn om een bericht te sturen aan sepper

Je moet aangemeld zijn om sepper aan je vrienden toe te voegen

 
Een blog starten